1851. Poespas, 

d.w.z. dooreengekookte spijs, een mengelmoes van spijs, wat de Vlamingen een patei noemen 
(De Bo, 831), allerlei vreemd goed; onzin, drukte. 

[p. 174]Vgl. Rusting (anno 1712), 
bl. 32: Soek daar uyt (medicinaal boeken) pillen, brokken, drankken, julaap en poespas, voor de kranken; 
bl. 99; Harreb. II, 191: Hij heeft al vreemde poespas opgeschept; 
Leersch. 94: En die heere van de politsei dan, die hadde dat gauw in de smieze en dá was dadelijk mee, en da' heette met wat groote poespas dan zooveel as ophitserij; 
Nkr. II, 1 Nov. p. 6: Wat kan ons al die poespas schelen? 
M. de Br. 155: Waar haalde ze dien poespas vandaan? 
bl. 30: Ze ging zitten zeuren over hartenverdervers en meer van die poespas; 
Nw. School, VIII, 122; Gunnink, 188: poespas, mengelmoes; 
De Arbeid, 12 Sept. 1914, p. 2 k. 3: ‘Het Volk’ van 27 Augustus brengt ons nog deze poespas. Dial. heeft poespas de bet. van vreeemdelingen, fortuinzoekers (Molema, 330), fri. hakmak; 
in Noord-Holland: een morsige plek gronds, slibberige weg (Bouman, 81). Over den oorsprong van dit woord is niets mede te deelen; 
alleen kan men wijzen op het gron. koeskas = dooreen gemengd, van spijzen gezegd, waarvan men het liever niet had; waarnaast koeskassen, het dooreenmengen; in Overijsel: koeskoes en koezen1), mengen, hutselen; in Zeeland koeskoes, dooreengemengd, waarnaast een ww. koeskoesen (C. Wildsch. II, 147); oostfri. kûskassen. Vgl. voor de vorming het eng. pishpash, applied to a stop of rice-soup with small pieces of meat in it, much used in the Anglo-Indian nursery (Yule and Burnell i.v. 540); mishmash, evenzeer een mengelmoes2), bij ons mismas (hd. misch-masch), vanwaar mismassen (W. Leevend VI, 240), op eene ruwe wijze dooreenmengen3); Zuidnl. kipkap, mengeling van stukjes vleesch; hosseldebrossel, warboel; ook aardappelen met pap. Zie no. 1519.